houtskool
mannelijk (de)/ˈhɑutskol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verkoold hout dat wordt gebruikt als brandstof, als grondstof voor buskruit of als medicamentVannacht hing boven de Cypriotische hoofdstad Nicosia een zware lucht van houtskool en geroosterd vlees, opstijgend uit de vele koffiehuizen, waar kebab bereid werd, het traditionele gerecht van stukjes vlees, die boven een open vuur geroosterd worden.Trouw, krant van woensdag 17 aug 1960 (19de jaargang, nr. 4679), pagina 2, "Cyprus viert feest van onafhankelijkheid / Na 82 jaar einde aan Brits bewind"; gehaald via [https://www.delpher.nl/nl/krantenr](geraadpleegd 2021-11-26)
Vertalingen
Engelscharcoal
Franscharbon
DuitsHolzkohle
Spaanscarbón, carbón vegetal
Portugeescarvão
Japans炭, 木炭
Koreaans숯, 목탄
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek