helft

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɛlᵊft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elk van twee gelijke delen
    Eindelijk kwamen we doodmoe maar opgelucht in het dal aan. Meteen liep ik naar mijn tent die onder het gewicht van de sneeuw voor de helft bleek te zijn ingestort.
    Het ritme van het lopen met soms wel 70.000 stappen per dag vormde een innerlijke kadans, waarvan sommige wetenschappers beweren dat er op deze manier een inventieve samenwerking ontstaat tussen de twee helften van je brein.
    Thea scheurt de zwoerd in tweeën en laat de helft op de grond vallen voor Lucas.
  2. wiskunde (wiskunde) fractie, voorgesteld door 1/2

Etymologie

*van Middelnederlands """ of "helefd", afgeleid van half met ablaut, in de betekenis van ‘elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Vertalingen

Engelshalf
Fransmoitié
DuitsHälfte
Spaansmitad
Italiaansmetà
Portugeesmetade
Russischполовина
Chinees
Japans半分
Koreaans
Turksbuçuk
Poolspołowa
Zweedshälft
Deenshalvdel