hen
vrouwelijk (de)/hɛn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) vrouwtje van hoenderachtige vogelsDe hen legt een ei in de ren.
voornaamwoord
- (taalkunde) persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud in de functie van lijdend voorwerp en na voorzetsels. Voornamelijk gebruikt om te verwijzen naar personen, soms ook naar dieren.Hij zag hen in de vergaderingsruimte.Met hen ging hij naar de conferentie.De sfeer was altijd opgewekt, maar al snel ging iedereen over tot de orde van de dag en vertrok naar zijn of haar kamer om huiswerk te maken en ‘écht’ belangrijke mensen te bellen over de laatste drama’s op school. Wie weet inspireert mijn reis hen om later ook de wereld te verkennen.
- (taalkunde) (lhbt) (pregnant) (niet algemeen) persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud in de functie van onderwerp en lijdend voorwerp en na voorzetsels. Gebruikt om te kunnen verwijzen naar personen die zich als non-binair identificeren
Etymologie
**Leenvertaling van non-binair (onpersoonlijk) Engels "they", "them".
Vertalingen
Engelshen
Franspoule
DuitsHenne
Spaansgallina
Italiaansgallina
Portugeesgalinha
Russischкурица
Turkstavuk
Poolskura
Zweedshöna
Deenshøne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek