hendel

/ˈhɛndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) beweegbaar handvat waarmee een apparaat wordt bediend
  2. vast gemonteerde handgreep

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hefboom’ voor het eerst aangetroffen in 1852