hennep
mannelijk (de)/ˈhɛnəp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort plant, uit de hennepfamilie, van wiens vezels zeer veel produkten kunnen worden vervaardigd o.a. touw, papier, canvas en textiel"Het is een ander soort hennep dan die waar je high van wordt. Dit gewas wordt voor allerlei toepassingen gebruikt: isolatiemateriaal, meubels, kleding, papier, als absorberende strooisels in dierenvertrekken. Het is zelfs een superfood: die zaden zitten vol omega-vetzuren, antioxidanten, ijzer, eiwitten en vezels. Je kunt er eigenlijk alles van maken. [https://www.parool.nl/amsterdam/-hennep-is-het-gewas-dat-de-mensheid-gaat-redden~a4603007/?hash=c711b4060e89dfc2dc8460717f5ad99b8cb566cd www.parool.nl 18 AUGUSTUS 2018]
- genotmiddel vervaardigd uit de (variëteit indica) van deze familie
Etymologie
*van Middelnederlands "hennep" ; meer informatie op aparte pagina
Vertalingen
Engelshemp
Franschanvre
DuitsHanf
Spaanscáñamo, cáñamo, cáñamo indio
Portugeesmaconha
RussischКонопля полезная
Japans%e5%a4%a7%e9%ba%bb
Turkskenevir
Poolskonopie siewne, konopie
Zweedshampa
Deensalmindelig hamp
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek