herbergen

/ˈhɛrbɛrɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) huisvesten
    Door het noodweer was hij verplicht om de hele wandelgroep in zijn huis te herbergen.
  2. ov (ov) tot verblijf dienen
    Die kom herbergt vier vissen, wat erg uitzonderlijk is.
  3. ov (ov) bevatten
    Voor zo'n dun boek herbergt het erg veel informatie.

Etymologie

*van Middelnederlands """ / "herberghen", op te vatten als afgeleid van "herberg"

Vertalingen

Engelsaccommodate, house, contain
Franshéberger, héberger, renfermer
Duitsunterbringen, einquartieren, beherbergen
Spaansalojar, albergar, hospedar