Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

herfstkou

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de koude die kan heersen in de periode tussen de zomer en de winter
    De dertiende editie is een zeer geslaagde. Zaterdag bij zacht lenteweer drukker dan normaal, zondag met zonnige herfstkou ook bezocht door duizenden.
    Hij is namelijk ook nogal verzot op vis en schaal- en schelpdieren. En warempel, zijn smaakgeheugen was zo goed dat hij een volstrekt authentiek gevulde vissoep op tafel zette, die mij terugbracht in Portugal. Ik denk dat ik er deze week weer een nodig heb, om te bekomen van warme mediterrane vakantiedagen en te wennen aan de herfstkou.
    Hij deed het raam dicht, de herfstkou was dichterbij gekomen.