heten

/ˈhetə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. copl (copl) op een bepaalde wijze genoemd worden
  2. zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.
    Hij heet Jan.
    Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte. Dit frisse water uit de ondergrondse meren (aquifers geheten) dronk ik direct uit de berg, zonder het te hoeven filteren.
    Ze heette heel toepasselijk Jetfighter en alle standaardvragen passeerden de revue: ‘waar kom je vandaan’, ‘wanneer ben je begonnen?’ en ‘hoeveel liter neem je mee?’.
  3. copl (copl) een bepaalde reputatie hebben
    Hij heet een goede leerling [te zijn].
werkwoord
  1. ov (ov) heet maken

Etymologie

* [A]: Uit Middelnederlands hēten, heeten, ontwikkeld uit Oergermaans *haitan-, misschien bij een Indo-Europees wortel *ḱeid-, waartoe ook Ossetisch sidyn ~ sedun ‘roepen’ zou kunnen behoren. Evenals o.a. Nederduits heten, Duits heißen en Fries hjitte ‘bevelen’, hite ‘heten’.

Uitdrukkingen

  • Het heet, dat...Er wordt (al dan niet terecht) aangenomen dat iets het geval is

Vertalingen

Engelsbe called, be named
Fransappeler
Duitsheißen
Spaansllamarse
Italiaanschiamarsi