hiërarchie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rangorde (van waardigheidsbekleders)
    Daardoor kwam de verantwoordelijkheid voor het huis en het land ook grotendeels neer op de schouders van de kamerheer. Geoffrey Poke had zich al stevig geïnstalleerd aan de top van de hiërarchie van de bedienden toen Emont lord werd, en de combinatie van Geoffreys zucht naar macht en Emonts desinteresse gaf hem de gelegenheid om zijn positie verder uit te breiden.
  2. indeling in volgorde van belangrijkheid
    een hiërarchie kan worden weergegeven met een structuur die lijkt op een boomstructuur
    Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

*afgeleid van het Griekse 'hieros' (heilig)

Vertalingen

Engelshierarchy
Franshiérarchie
DuitsHierarchie
Spaansjerarquía
Italiaansgerarchia
Japans階層, 階層性, 序列