hiel
mannelijk (de)/hil/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
- dat wat de hiel bedektIk haatte dit soort geklauter en was dolblij toen de rotswand weer overging in sneeuw waarin ik stap voor stap nieuwe treden met mijn hiel hakte.
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterste deel van voet’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Uitdrukkingen
- Weggaan, vluchten.
- Iemand heel dicht volgen.
Vertalingen
Engelsheel
Franstalon
DuitsFerse
Spaanstalón
Italiaanstallone
Portugeescalcanhar, talão
Turksökçe, topuk
Poolspięta
Zweedshäl
Deenshæl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek