hiel
Wat is de betekenis van hiel?
hiel betekent: (anatomie) een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
Betekenis
- (anatomie) een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
- dat wat de hiel bedekt
Voorbeelden van "hiel" in een zin
- Ik haatte dit soort geklauter en was dolblij toen de rotswand weer overging in sneeuw waarin ik stap voor stap nieuwe treden met mijn hiel hakte.
Betekenis en uitleg van hiel
De hiel is het achterste deel van de voet, waar de botten en spieren samenkomen om steun te bieden tijdens het lopen. Het is het gebied dat in contact komt met de grond wanneer je op je hakken loopt.
Je gebruikt het woord 'hiel' vaak in de context van schoenen, blessures of het beschrijven van houding en beweging. Bijvoorbeeld, als iemand last heeft van hielspoor, verwijst dat naar een aandoening die pijn veroorzaakt in dit specifieke deel van de voet. Het woord kan ook figuratief worden gebruikt, bijvoorbeeld in uitdrukkingen die met steun of basis te maken hebben.
Voorbeelden
- Na een lange wandeling voelde ik een scherpe pijn in mijn hiel.
- Ze droeg nieuwe schoenen die niet goed bij haar hiel pasten, waardoor ze blaren kreeg.
- De fysiotherapeut raadde oefeningen aan om de spieren rondom mijn hiel te versterken.
Woordoorsprong
Het woord 'hiel' komt van het Oudnederlands 'hila', wat ook verwijst naar de achterkant van de voet.
Veelgestelde vragen over hiel
Wat is de betekenis van hiel?
hiel betekent: (anatomie) een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
Hoeveel betekenissen heeft hiel?
hiel heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft hiel?
hiel is een mannelijk (de).
Wat zijn synoniemen van hiel?
Synoniemen van hiel zijn: hak.
Hoe gebruik je hiel in een zin?
Voorbeeld: “Ik haatte dit soort geklauter en was dolblij toen de rotswand weer overging in sneeuw waarin ik stap voor stap nieuwe treden met mijn hiel hakte.”
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterste deel van voet’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Uitdrukkingen
- Weggaan, vluchten.
- Iemand heel dicht volgen.