hij-vorm
mannelijk (de)/ˈhɛivɔrᵊm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (letterkunde) manier van vertellen waarbij het verhaal wordt gedaan door een figuur die de auteur in de derde persoon opvoertIn een interview in 1962 ging Hermans uitgebreid in op de concurrentie tussen de roman en de film. Het voordeel van de film was dat de kijker in een donkere zaal zat. „Zijn blik is op één bepaald lichtpunt geconcentreerd en daardoor krijg je, dat van een film een enorme hypnotische macht uitgaat.” Die macht wilde hij ook. Daarom vroeg hij zich steeds af welke vorm hij moest kiezen, de ik-vorm of de hij-vorm. Zat de verteller in het hoofd van het karakter of keek hij van buiten naar hem?Hij viert zijn varieerlust bot door wisselende vertellers in te voeren, door ik-vormen af te wisselen met hij-vormen of door beide te combineren met wij-vormen, wat aan het klassieke koor herinnert.
Etymologie
* , geschreven met een koppelteken volgens onder (5)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek