hij

/hɛi/

Betekenis

voornaamwoord
  1. mannelijk derde persoon enkelvoud dat men gebruikt voor verwijzingen naar mannelijke personen of mannelijke zelfstandige naamwoorden
    Hij heeft een hoed.
    Wie heeft het gedaan? Hij!
    Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omdat het blijkbaar verboden was om boven op Mount Whitney te overnachten.

Etymologie

:Oost: : his

Vertalingen

Engelshe
Fransil
Duitser
Spaansél
Italiaanslui, egli
Portugeesele
Turkso
Poolson
Zweedshan
Deenshan