hik

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt

Vertalingen

Engelshiccup
Franshoquet
DuitsSchluckauf
Spaanshipo
Italiaanssinghiozzo
Portugeessoluço
Russischикота
Chinees打嗝
Japansしゃっくり
Koreaans딸꾹질
Arabischفواق
Turkshıçkırık
Poolsczkawka
Zweedshicka
Deenshikk