historiek

/hɪstoˈrik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorafgaande geschiedenis, (beschrijving van) de eerdere ontwikkeling
    Mijn taak bestond erin de terminologische spraakverwarring rond begrippen als culturele autonomie en federalisme te verhelderen, opzoekingen te doen en verduidelijkingen te geven over de historiek van de communautaire kwestie.

Etymologie

*van "historique", cognaat met "Historik"