hofhond

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de waakhond die een gebouw of boerderij bewaakt
    Jackie, de hofhond van de Kaserhof, kijkt met een treurige blik in de ogen toe hoe de worst in mensenmonden verdwijnt.
    „O Reindert, de schout is ons vast op het spoor! We zijn verraden!” Maria beeft als een rietje. Reinderts gedachten gaan razendsnel. „De schout? Nee, dat denk ik niet; er staat ook geen paard. En de hofhond is rustig. Je zusje is vast wakker geworden…”

Vertalingen

Engelshouse-dog