hofstoet

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optocht met hoogwaardigheidsbekleders die betrokken bij bij een (koninklijke) hofhouding
    Bettina en Mijntje staren naar de eindeloze hofstoet en zijn diep onder de indruk van al de pracht en praal; Bettina heeft nog een flauwe herinnering aan het prinselijk hof waar zij eenmaal op receptie is geweest en aan een bezoek van de stadhouder aan Amsterdam.
    Een kleine onbekende luitenant, die als zoveel onbekenden onder keizer Napoleon een grote carrière heeft gemaakt en die thans als gardekolonel in de hofstoet van koning Lodewijk rijdt.