holpijp
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɔlpɛip/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stem van een orgel; open fluitwerk in het orgelAls ik een holpijp of een prestant trek, hoor ik échte orgelklanken. Dat verveelt nooit. Elke stem heeft een eigen karakter. Het orgel verrast mij nog regelmatig.”De Holpijp 8’ en Fluit 4’ vangen de melancholie van Mozarts heerlijke Variaties in d, een deel van een strijkkwartet, bewerkt voor vier handen door Van Oortmerssen.
- (varens) een plant uit de paardenstaartenfamilie met een holle steel
- (gereedschap) buisje met aan een kant een scherpe rand en aan de andere kant een stevige steel, bestemd om ergens een rond gat in te slaan
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek