Hom

mannelijk/vrouwelijk (de)/hɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) teelvocht van de mannetjes der benige vissen

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘zaad van vis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567

Uitdrukkingen

  • Ergens hom of kuit van willen hebbenVan alles precies willen weten hoe het in elkaar steekt, ergens duidelijkheid en/of uitsluitsel over willen (vaak afgekort tot Hom of kuit)