Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

homeparty

vrouwelijk (de)/ˈhompɑːrti/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verkoopbijeenkomst bij een particulier iemand thuis
    Het faillissement is aangevraagd door de twee aandeelhouders van Pom Pom, onder wie ontwerpster Sytske Tibboel. Zij zette begin jaren 90 de kinderkledinglijn Pom Pom in de markt. Aanvankelijk had zij veel succes met een internationaal netwerk van consulentes die de kleding via zogeheten homeparty’s verkochten. Reformatorisch Dagblad 19-03-2015 [https://www.rd.nl/vandaag/economie/winkelketen-pom-pom-failliet-1.457080 Winkelketen Pom Pom failliet]
    Moeite met kerstinkopen? U had al van alles kunnen kopen, thuis. Want thuisverkoop- feestjes (homeparty’s) bloeien, merken Marijke Heezen en Karin Alfenaar. Zij bezochten het afgelopen jaar vijf verkoopfeestjes NRC Marijke Heezen Karin Alfenaar 9 december 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/12/09/kunst-homeparty-olieverfje-voor-boven-de-bank-11242358-a1003337 Kunst-homeparty: Olieverfje voor boven de bank]