homo
mannelijk (de)/ˈhomo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (primaten) mens (als onderdeel van vaste verbindingen ontleend aan het Latijn)
- (lhbt) man die een seksuele voorkeur voor mannen heeft, soms algemener gebruikt voor persoon met een seksuele voorkeur voor mensen van hetzelfde geslachtOf je zwart of wit bent, homo, jood of atheïst, gaat de staat niets aan.Zijn wortels is hij kwijt en zijn aard moet hij verbergen, want in de jaren zestig kwam je als homo niet uit de kast.
- (scheldwoord) iemand die onhandig is of niet bij een groep hoortSpelers van NAC kregen wekelijks te horen dat ze homo waren, ja ja, een homo uit Breda. Dat bekte namelijk lekker.Waar voorheen vele ‘he homo!’s lukraak door de gangen schalden tegen wie dan ook, iets wat bij hem telkens weer „als een klap in zijn gezicht voelde”, werd dat daarna niet meer gedaan. Alsof ze beseften dat ze het als scheldwoord gebruikten en dat nu niet meer kon.
Etymologie
*[2], [3](verkorting) van "homoseksueel", in de betekenis van ‘persoon met seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1933
Vertalingen
Spaanshomosexual, maricón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek