homologie
vrouwelijk (de)/ˌhomoloˈɣi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- overeenkomstig zijnVerdaasdonk bekritiseert terecht enkele zwakke plekken in de theorie van Bourdieu: (…) de homologie tussen productie en consumptie (‘voor elke schrijver een lezer’) die in de realiteit toch vaak genoeg blijkt te ontbreken, (…)
- (religie) belijdenisEen homologie of geloofsbelijdenis gebeurt hetzij in de vorm van een acclamatie (Jezus de Heer!), hetzij in de vorm van een belijdende geloofsuitspraak, die betrokken is op Gods handelen in Jezus (bv. Gal. 8,11; 2 Kor. 4,14; 1 Thess. 4,14).
- (biologie) (over organen bij verschillende soorten organismen) in de evolutie zijn ontstaan uit eenzelfde orgaan bij een eerdere soortWaar het op neer komt is dat homologie een overeenkomst is die aan bepaalde eisen moet voldoen.
- (genetica) (over genen bij verschillende soorten organismen) in de evolutie zijn ontstaan uit eenzelfde gen bij een eerdere soortMeer precies vertoont het menselijke hMSH2-gen homologie met MutS en het hMLHl-gen een homologie met MutH.
- (scheikunde) (over verbindingen in de organische chemie) alleen verschillend zijn door de lengte van een keten van CH2-groepen (alkyl)Dat de auteur (…) de cyclische polymethylenen als homologen beschouwt van cyclopropaan, lijkt me een te ruime opvatting van het begrip homologie.
- (wiskunde) op een omschreven, abstracte manier overeenkomen van bepaalde ingewikkelde structurenHet probleem bij fiberruimten is relaties te leggen tussen de homologie of de cohomologie van de ruimte, de basis en de fiber.
Etymologie
*via Latijn "homologia" van ὁμολογία (homología) "overeenstemming"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek