homologie

vrouwelijk (de)/ˌhomoloˈɣi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overeenkomstig zijn
    Verdaasdonk bekritiseert terecht enkele zwakke plekken in de theorie van Bourdieu: (…) de homologie tussen productie en consumptie (‘voor elke schrijver een lezer’) die in de realiteit toch vaak genoeg blijkt te ontbreken, (…)
  2. religie (religie) belijdenis
    Een homologie of geloofsbelijdenis gebeurt hetzij in de vorm van een acclamatie (Jezus de Heer!), hetzij in de vorm van een belijdende geloofsuitspraak, die betrokken is op Gods handelen in Jezus (bv. Gal. 8,11; 2 Kor. 4,14; 1 Thess. 4,14).
  3. biologie (biologie) (over organen bij verschillende soorten organismen) in de evolutie zijn ontstaan uit eenzelfde orgaan bij een eerdere soort
    Waar het op neer komt is dat homologie een overeenkomst is die aan bepaalde eisen moet voldoen.
  4. genetica (genetica) (over genen bij verschillende soorten organismen) in de evolutie zijn ontstaan uit eenzelfde gen bij een eerdere soort
    Meer precies vertoont het menselijke hMSH2-gen homologie met MutS en het hMLHl-gen een homologie met MutH.
  5. scheikunde (scheikunde) (over verbindingen in de organische chemie) alleen verschillend zijn door de lengte van een keten van CH2-groepen (alkyl)
    Dat de auteur (…) de cyclische polymethylenen als homologen beschouwt van cyclopropaan, lijkt me een te ruime opvatting van het begrip homologie.
  6. wiskunde (wiskunde) op een omschreven, abstracte manier overeenkomen van bepaalde ingewikkelde structuren
    Het probleem bij fiberruimten is relaties te leggen tussen de homologie of de cohomologie van de ruimte, de basis en de fiber.

Etymologie

*via Latijn "homologia" van ὁμολογία (homología) "overeenstemming"