honing
mannelijk (de)/ˈhonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (imkerij), (voeding) een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen, waarna deze door o.a. mensen wordt geconsumeerdHij at een broodje met honing.
Etymologie
* In de betekenis van ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- Een land van melk en honing — Een plek waar het goed en voorspoedig leven is
- Iemand honing (of: stroop) om de mond smeren — Tegen iemand aardige dingen zeggen/vleien om iets gedaan te krijgen
- Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn — Door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden
- Een geur van hoger honing verdrijft hen uit hun woning — Weggaan of verhuizen vanwege het vooruitzicht op een beter leven elders Toespeling op de dichtregel "Een geur van hooger honing verbitterde de bloemen, Een geur van hooger honing verdreef ons uit de woning.", Martinus Nijhoff (1894-1953), Het lied der dwaze bijen.
- Waar werk is, is ook honing. — Werken wordt beloond
Vertalingen
Engelshoney
Fransmiel
DuitsHonig
Spaansmiel
Italiaansmiele
Portugeesmel
Russischмёд
Chinees蜂蜜, 蜜
Japans蜂蜜
Koreaans꿀, 밀, 蜜
Arabischعسل
Turksbal
Poolsmiód
Zweedshonung
Deenshonning
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek