hoofdstedeling

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inwoner van de hoofdstad
    Vreemd genoeg ontpopte uitgerekend Pavel Pavlovitsj, zoon van een Moskouse spoorwegarbeider, zich als een verstokte hoofdstedeling.
    Mondkapjes waren al verplicht in winkels, bussen en treinen, in kantoren, in restaurants en op scholen buiten de klas. Hoofdstedelingen mogen tussen 23.00 en 06.00 uur met maximaal vijf personen samen in de openbare ruimte zijn.

Etymologie

*afgeleid van hoofdstad