hoog
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/
Wat is de betekenis van hoog?
hoog betekent: fysisch ver boven iets anders
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- fysisch ver boven iets anders
- vergevorderd in een rangorde of volgorde
- met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
- met een groot aanzien
- meer boven de zeespiegel gelegen
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
- gebiedende wijs van hogen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
Voorbeelden van "hoog" in een zin
- Zo zag ik erg op tegen onbekende gevaren op de trail zoals ratelslangen, beren, steile bergen, felle zon en hoge temperaturen in de woestijn.
- Bliksem en storm. Op de hoogste top van Californië. Geen enkele beschutting, behalve een hutje met een metalen dak.
- de Hoge Ardennen
- Ik hoog.
- Hoog!
Etymologie
In de betekenis van ‘boven een ander punt, verheven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1130
Vertalingen
Duitshoch
Engelshigh
fikorkea
Franshaut
elψηλός
humagas
ioalta
papaltu
Poolswysoki
Spaansalto
vicao
Zweedshög
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek