Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

hoogsprong

mannelijk (de)/ˈhoxsprɔŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beweging waarbij je je met kracht afzet om zo ver mogelijk van de grond te komen, bijvoorbeeld als onderdeel van atletiek
    De bezoeker heeft het niet op dat armzwaaien en rent hier altijd vooruit, via de hoogsprong naar een lat naar een bank waarop we achterover moeten buigen, voeten vast.
    Niet voor niets had hij gymnastiek geleerd. Met een' aanloop, zoo groot als de lengte van de cel het toeliet, en een' hoogsprong zooals hij er nog nooit een over het lijntje had gemaakt, bereikte hij de tralies; klemde zich met beide handen vast en bleef hangen.

Etymologie

* van hoogspringen, ook op te vatten als