hoogte
vrouwelijk (de)/ˈhoxtə/
Wat is de betekenis van hoogte?
hoogte betekent: (geologie) een verheffing van de aardkorst
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een verheffing van de aardkorst
- (algemeen) de mate waarin iets hoog is, niveau, peil, stand
- (natuurkunde) door de frequentie bepaalde klank, toonhoogte
Voorbeelden van "hoogte" in een zin
- Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.
- De postcodes, de bakstenen, de wel of niet aanwezige rozenstruik, de voetenschraper, de hoogte van een stoepje of het ontbreken ervan was een taal die ik nu ook sprak.
- Denver ligt op een hoogte van 1600 meter.
Etymologie
*Afgeleid van hoog .
Uitdrukkingen
- Geen hoogte van iemand/iets [kunnen] krijgen — Iemand niet kunnen doorgronden/iets niet kunnen beoordelen
- Iemand in de hoogte steken — Iemand (te veel) prijzen
- Op de hoogte zijn [van/met] — Bekend zijn met iets, kennis hebben van iets
- Op de hoogte zijn [van] — Kennis hebben van iets
- Op de hoogte blijven — Kennis blijven houden door ontwikkelingen en het nieuws te volgen
- Op de hoogte houden — Iemand blijvend informeren
- Op de hoogte brengen/stellen — Iemand ergens over in kennis stellen, iemand over iets informeren
- Tot grote hoogte stijgen — veel bereiken
Vertalingen
Engelsaltitude, height, level
Fransaltitude
DuitsHöhe
Spaansaltitud, nivel
Italiaansaltitudine
Portugeesaltitude
Russischвысота
Poolswysokość nad poziomem morza, wysokość
Zweedshöjd
Deenshøjde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek