hoogte

vrouwelijk (de)/ˈhoxtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) een verheffing van de aardkorst
  2. (algemeen) de mate waarin iets hoog is, niveau, peil, stand
    Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.
    De postcodes, de bakstenen, de wel of niet aanwezige rozenstruik, de voetenschraper, de hoogte van een stoepje of het ontbreken ervan was een taal die ik nu ook sprak.
    Denver ligt op een hoogte van 1600 meter.
  3. natuurkunde (natuurkunde) door de frequentie bepaalde klank, toonhoogte

Etymologie

*Afgeleid van hoog .

Uitdrukkingen

  • Geen hoogte van iemand/iets [kunnen] krijgenIemand niet kunnen doorgronden/iets niet kunnen beoordelen
  • Iemand in de hoogte stekenIemand (te veel) prijzen
  • Op de hoogte zijn [van/met]Bekend zijn met iets, kennis hebben van iets
  • Op de hoogte zijn [van]Kennis hebben van iets
  • Op de hoogte blijvenKennis blijven houden door ontwikkelingen en het nieuws te volgen
  • Op de hoogte houdenIemand blijvend informeren
  • Op de hoogte brengen/stellenIemand ergens over in kennis stellen, iemand over iets informeren
  • Tot grote hoogte stijgenveel bereiken

Vertalingen

Engelsaltitude, height, level
Fransaltitude
DuitsHöhe
Spaansaltitud, nivel
Italiaansaltitudine
Portugeesaltitude
Russischвысота
Poolswysokość nad poziomem morza, wysokość
Zweedshöjd
Deenshøjde