hopje
/ˈhɔpjə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hard snoepje met een lichte koffie- en karamelsmaak
Etymologie
*(eponiem): naar de eerste afnemer, de Nederlandse diplomaat voor wie de Haagse suikerbakker T. van Haaren vanaf 1792 deze lekkernij maakte, in de betekenis van ‘handelsnaam voor een bepaald snoepje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek