horen

mannelijk (de)/hɔː.rən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) geluid waarnemen met het oor
    Ik vond het verbijsterend om te horen hoeveel indruk de trail destijds op deze man had gemaakt.
  2. absol (absol) thuishoren, behoren
    Een potje schieten hoort er voor de lokale rednecks in de woestijn kennelijk gewoon bij in het weekend.
    "Liesbeth is een bescheiden, dankbare vrouw", vertelt Boeijen. "Een heel erg prettig iemand om mee samen te werken. Lekker eigenwijs, dat hoort ook."
zelfstandig naamwoord
  1. hoorn
zelfstandig naamwoord
  1. het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen

Etymologie

*Verwant in andere Indo-Europese talen:

Uitdrukkingen

  • Horen, zien en zwijgenWegkijken van iets dat eigenlijk veroordeeld zou moeten worden, uit vrees voor negatieve gevolgen die er anders zouden kunnen zijn
  • Voor wat hoort watTegenover een verleende dienst moet ook een wederdienst staan
  • Wie niet horen wil, moet [maar] voelenWie geen of onvoldoende aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden

Vertalingen

Engelshear
Fransentendre
Duitshören
Spaansoír, oir
Italiaanssentire, udire
Portugeesouvir, escutar
Russischслышать
Chinees
Japans聞く
Koreaans듣다
Arabischسمع, سمع
Turksduymak, işitmek
Poolssłyszeć
Zweedshöra
Deenshøre