horloge

onzijdig (het)/hɔrˈloʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
    Ik ben mijn horloge vergeten.
    Naast hem staat een vrouw die in de korte tijd waarin ik op haar afloop al drie keer op haar horloge heeft gekeken.
    Zijn horloge was in het water stil blijven staan op tien over zes.

Etymologie

*Leenwoord uit het Frans (horloge), waarbij de betekenis is verschoven van "uurwerk" naar "polshorloge". Uiteindelijk afgeleid van het Griekse horologion, van horo (tijd) en logos (o.a. getal).

Vertalingen

Engelswatch
Fransmontre
DuitsUhr
Spaansreloj
Italiaansorologio
Russischчасы
Turkssaat
Poolszegarek
Zweedsklocka, armbandsur
Deensur