hospita

vrouwelijk (de)/ˈhɔspita/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
    Door het gebrek aan kamers dat in veel steden nog steeds heerst wonen er nog steeds redelijk wat studenten bij een hospita.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kostjuffrouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1646

Vertalingen

Engelslandlady
Franslogeuse
DuitsZimmerwirtin