hotel

onzijdig (het)/hoˈtɛl/

Wat is de betekenis van hotel?

hotel betekent: (horeca) (toerisme) gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. horeca, toerisme (horeca) (toerisme) gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
  2. (bij uitbreiding) tijdelijk onderkomen voor (huis)dieren, als bijv. de eigenaars eigen tijd weg zijn; dierenpension
  3. verouderd (verouderd) gebouw v.e. gezantschap
  4. spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h

Voorbeelden van "hotel" in een zin

  • Een hotel aan het strand.
  • Er kwamen meer badkoetsen, de Badhuisweg werd aangelegd om de stad te verbinden met de badplaats en er werd een hotel gebouwd: het Grand Hotel des Bains, dat in 1886 feestelijk werd geopend.[https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/het-vlissingse-strand Het Vlissingse strand], zeeuwseankers.nl 4 juni 2015
  • `Heeft het hotel een nieuwe eigenaar?' vroeg ik.`Onlangs is Grand Hotel Europa overgegaan in Chinese handen,'zei hij. 'De nieuwe eigenaar heet meneer Wang. Het gaat om een recente ontwikkeling die we op dit moment onmogelijk kunnen beoordelen.

Betekenis en uitleg van hotel

Een hotel is een gebouw dat gasten tijdelijk onderdak biedt, vaak met extra voorzieningen zoals maaltijden, schoonmaak en entertainment. Mensen kiezen vaak voor hotels tijdens reizen, vakanties of zakelijke trips om comfortabel te kunnen verblijven.

Het woord 'hotel' wordt vaak gebruikt in de context van toerisme en hospitality. Je kunt het tegenkomen wanneer je een reis plant en op zoek bent naar accommodatie. Hotels variëren van eenvoudige budgetopties tot luxe vijfsterrencomplexen, wat de keuze afhankelijk maakt van persoonlijke voorkeuren en budget.

Voorbeelden

  • Tijdens onze vakantie in Spanje verbleven we in een prachtig hotel met uitzicht op de zee.
  • Na een lange dag vergaderen besloot ik in een hotel vlakbij het kantoor te overnachten.
  • Het hotel bood een scala aan faciliteiten, waaronder een zwembad, een spa en een restaurant.

Woordoorsprong

Het woord 'hotel' is afgeleid van het Franse 'hôtel', dat oorspronkelijk een herberg of woonhuis betekende en later is gaan verwijzen naar commerciële logies.

Veelgestelde vragen over hotel

Wat is de betekenis van hotel?

hotel betekent: (horeca) (toerisme) gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel

Hoeveel betekenissen heeft hotel?

hotel heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft hotel?

hotel is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van hotel?

Synoniemen van hotel zijn: Hendrik.

Hoe gebruik je hotel in een zin?

Voorbeeld: “Een hotel aan het strand.

Etymologie

* Van het Franse hôtel, in de betekenis van ‘logement’ voor het eerst aangetroffen in 1855

Uitdrukkingen

  • Hotel mamaMin of meer spottende benaming voor het ouderlijk huis, wanneer de kinderen terwijl ze al volwassen zijn hier nog wonen of veel logeren

Vertalingen

Engelshotel
Franshôtel
DuitsHotel
Italiaanshotel, albergo
Portugeeshotel
Poolshotel
Zweedshotell
Deenshotel