hotel

onzijdig (het)/hoˈtɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. horeca, toerisme (horeca) (toerisme) gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
    Een hotel aan het strand.
    Er kwamen meer badkoetsen, de Badhuisweg werd aangelegd om de stad te verbinden met de badplaats en er werd een hotel gebouwd: het Grand Hotel des Bains, dat in 1886 feestelijk werd geopend.[https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/het-vlissingse-strand Het Vlissingse strand], zeeuwseankers.nl 4 juni 2015
    `Heeft het hotel een nieuwe eigenaar?' vroeg ik.`Onlangs is Grand Hotel Europa overgegaan in Chinese handen,'zei hij. 'De nieuwe eigenaar heet meneer Wang. Het gaat om een recente ontwikkeling die we op dit moment onmogelijk kunnen beoordelen.
  2. (bij uitbreiding) tijdelijk onderkomen voor (huis)dieren, als bijv. de eigenaars eigen tijd weg zijn; dierenpension
  3. verouderd (verouderd) gebouw v.e. gezantschap
  4. spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h

Etymologie

* Van het Franse hôtel, in de betekenis van ‘logement’ voor het eerst aangetroffen in 1855

Uitdrukkingen

  • Hotel mamaMin of meer spottende benaming voor het ouderlijk huis, wanneer de kinderen terwijl ze al volwassen zijn hier nog wonen of veel logeren

Vertalingen

Engelshotel
Franshôtel
DuitsHotel
Italiaanshotel, albergo
Portugeeshotel
Poolshotel
Zweedshotell
Deenshotel