houtvlotter
mannelijk (de)/ˈhɑutflɔtər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (scheepvaart) bestuurder van een vaartuig dat bestaat uit bijeengebonden stammenNiet dat zijn ambities nu zo ver reiken: hij wil de beste houtvlotter worden: een man die op de samengebonden boomstammen stroomafwaarts vaart, om de koopwaar daar bij de handelspartners af te leveren.Rond Tilburg fotografeerde hij boeren op het land, moeders in de weer in boerenkeukens, wevers en likeurstokers in de fabriek. In Rotterdam waren het lantaarnschoonmakers, houtvlotters, bouwvakkers en dienstbodes.
Etymologie
*afgeleid van "houtvlot"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek