hts'er

mannelijk (de)/ˌhateˈʔɛsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, onderwijs, historisch (persoon) (onderwijs) (historisch) (Nederland) iemand die in de tweede helft van de 20e eeuw een hogere beroepsopleiding op het gebied van industrie of toegepaste wetenschap volgde
    Lagerweij volgde de opleiding elektrotechniek aan de hts in Arnhem. Bij de novemberstorm van 1972 was het bos bij de boerderij van zijn ouders op de Veluwe veranderd in een mikadospel. „Ik zag opeens: wat een kracht zit er in die wind”, zegt hij. „Zou je die niet nuttig kunnen gebruiken?” Achteraf gezien niet zo’n originele gedachte in het land dat al eeuwen met windkracht polders droog houdt, erkent hij. En toch gaf dat omgevallen bos de 18-jarige hts’er een idee dat nieuw was voor Nederland.
  2. persoon, onderwijs, historisch (persoon) (onderwijs) (historisch) (Nederland) iemand die in de tweede helft van de 20e eeuw een hogere beroepsopleiding op het gebied van industrie of toegepaste wetenschap met succes afrondde
    En wie zich door en door een bèta voelt is Mustafa Amhaouch van het CDA, hts’er meet- en regeltechniek.

Etymologie

*afgeleid van "hts" , geschreven met een apostrof volgens