huisgenoot

mannelijk (de)/ˈhœysxeˈnot/

Wat is de betekenis van huisgenoot?

huisgenoot betekent: mensen met wie men in één huis woont, zonder dat er noodzakelijkerwijs ook één huishouding wordt gevoerd

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mensen met wie men in één huis woont, zonder dat er noodzakelijkerwijs ook één huishouding wordt gevoerd

Voorbeelden van "huisgenoot" in een zin

  • In het studentenhuis had ik 5 huisgenoten.
  • Mijn eerste doel was flexibeler in het leven te staan. Ik hoopte hierdoor geduldiger te worden en meer te gaan genieten van het hier en nu. Maar vooral ook om een aangenamere huisgenoot te worden.

Betekenis en uitleg van huisgenoot

Een huisgenoot is iemand met wie je samenwoont, vaak in een gedeeld huis of appartement. Dit kan een vriend, familielid of zelfs een onbekende zijn waarmee je een huurcontract deelt.

Het woord 'huisgenoot' wordt vaak gebruikt in de context van het delen van woonruimte, bijvoorbeeld bij studenten of jonge volwassenen die samen wonen om kosten te besparen. Het kan ook verwijzen naar mensen die tijdelijk samenwonen, zoals tijdens een vakantie. De term heeft een neutrale lading en kan zowel positieve als negatieve connotaties hebben, afhankelijk van de relatie tussen de huisgenoten.

Voorbeelden

  • Mijn huisgenoot en ik hebben afgesproken om elke week samen te koken.
  • Zij is mijn huisgenoot, maar we kennen elkaar nog niet zo goed.
  • Na een paar maanden met mijn huisgenoot te wonen, zijn we goede vrienden geworden.

Woordoorsprong

Het woord 'huisgenoot' bestaat uit 'huis', wat verwijst naar een woonruimte, en 'genoot', dat iemand aanduidt die samen met anderen is.

Veelgestelde vragen over huisgenoot

Wat is de betekenis van huisgenoot?

huisgenoot betekent: mensen met wie men in één huis woont, zonder dat er noodzakelijkerwijs ook één huishouding wordt gevoerd

Welk woordgeslacht heeft huisgenoot?

huisgenoot is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van huisgenoot?

Synoniemen van huisgenoot zijn: medebewoner.

Hoe gebruik je huisgenoot in een zin?

Voorbeeld: “In het studentenhuis had ik 5 huisgenoten.