huisorde
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhœysɔrdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- onderscheiding die een vorst verleent aan mensen die volgens hem speciale waardering van het vorstenhuis verdienenDeze orde is opgericht door Koning Willem III in 1858. In 1890 wordt deze uitsluitend huisorde van het Groothertogdom Luxemburg, doch in 1905 in Nederland als huisorde hersteld.
- geheel van regels voor de gang van zaken binnen een instelling waarbinnen mensen verblijvenWie nu de orde van het ziekenhuis schendt, gaat weliswaar niet in tegen Gods gebod en zondigt ook niet tegen de goede vormen, maar riskeert wel het verwijt dat hij met zijn overtreding van de regels, al lijken ze nog zo onnozel, de behandeling belemmert en dus eigen en andermans genezingskansen schaadt. Zo kan het medisch regiem op eigen gezag een huisorde in stand houden zonder een beroep te hoeven doen op strafbepalingen of op religieuze of morele normen, die controversieel zouden kunnen blijken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek