huis
Wat is de betekenis van huis?
huis betekent: (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen
Betekenis
- (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen
- geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
- geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
- (bedrijf) eenvoudige onderneming van twee of meer personen
- iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
- zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
- (astrologie) elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden
Voorbeelden van "huis" in een zin
- Zij wonen in een groot huis.
- Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn?
- Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
- Het huis van Oranje.
- Producten zijn te koop bij ons huis.
Betekenis en uitleg van huis
Een huis is een gebouw dat bedoeld is om mensen te huisvesten. Het biedt bescherming en comfort, en is vaak een plek waar gezinnen samenkomen en herinneringen creëren.
Het woord 'huis' wordt in verschillende contexten gebruikt, van een eenvoudig onderkomen tot een luxe villa. Je kunt het gebruiken om te verwijzen naar je eigen woning, maar ook in bredere zin, zoals 'de huizenmarkt'. Het heeft een emotionele lading, omdat het vaak staat voor veiligheid en een gevoel van thuiskomen.
Voorbeelden
- Na een lange dag op het werk is er niets fijner dan thuis in mijn eigen huis te ontspannen.
- De huizen in deze wijk zijn allemaal gebouwd in een traditionele stijl, wat het een charmante uitstraling geeft.
- Tijdens de open dag konden we een kijkje nemen in het nieuwe huis dat te koop staat.
Woordoorsprong
Het woord 'huis' komt van het Oudnederlands 'hūs', dat verwant is aan de Germaanse wortel 'hūz', wat 'onderkomen' betekent.
Veelgestelde vragen over huis
Wat is de betekenis van huis?
huis betekent: (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen
Hoeveel betekenissen heeft huis?
huis heeft 7 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft huis?
huis is een onzijdig (het).
Hoe gebruik je huis in een zin?
Voorbeeld: “Zij wonen in een groot huis.”
Etymologie
*(erfwoord), via Middelnederlands "huus" van Oudnederlands "hus", in de betekenis van ‘woning’ aangetroffen vanaf 893
Uitdrukkingen
- als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
- [1] Dat is niet om over naar huis te schrijven.
- [1] Elk huis heeft zijn kruis. (alt. Ieder huisje heeft zijn kruisje.)
- [1] Het huis is te klein.
- [1] Hij is het zonnetje in huis.
- [1] Wat het huis verliest, brengt het weer terug.
- er is geen huis met hem te houden
- ergens kind aan huis zijn