huis

onzijdig (het)/hœys/

Wat is de betekenis van huis?

huis betekent: (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, wonen (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen
  2. geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
  3. geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
  4. bedrijf (bedrijf) eenvoudige onderneming van twee of meer personen
  5. iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
  6. zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
  7. astrologie (astrologie) elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden

Voorbeelden van "huis" in een zin

  • Zij wonen in een groot huis.
  • Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn?
  • Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
  • Het huis van Oranje.
  • Producten zijn te koop bij ons huis.

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "huus" van Oudnederlands "hus", in de betekenis van ‘woning’ aangetroffen vanaf 893

Uitdrukkingen

  • als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
  • [1] Dat is niet om over naar huis te schrijven.
  • [1] Elk huis heeft zijn kruis. (alt. Ieder huisje heeft zijn kruisje.)
  • [1] Het huis is te klein.
  • [1] Hij is het zonnetje in huis.
  • [1] Wat het huis verliest, brengt het weer terug.
  • er is geen huis met hem te houden
  • ergens kind aan huis zijn

Vertalingen

Engelshouse
Fransmaison
DuitsHaus
Spaanscasa
Italiaanscasa
Portugeescasa
Russischдом
Chinees房子
Japans
Koreaans
Turksev
Poolsdom
Zweedshus
Deenshus