huistaak
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhœystak/
Wat is de betekenis van huistaak?
huistaak betekent: (onderwijs) opgave die leerlingen buiten schooltijd (thuis) moet vervullen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs) opgave die leerlingen buiten schooltijd (thuis) moet vervullen
- te verrichten huishoudelijk werk
Voorbeelden van "huistaak" in een zin
- Maar toen het binnen de maand nogmaals voorviel, dat de jonge Sanegrain zonder afgewerkte huistaak in de school verscheen, moest Johan er meer van weten.
- Het schoonhouden van de wc is haar huistaak.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek