hum

onzijdig (het)/hʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (verkorting van) humeur
    Uit zijn hum zijn.
tussenwerpsel
  1. tussenwerpsel dat een soort van twijfel/terughoudendheid uitdrukt, of aangeeft dat men het ergens niet mee eens is (vaak verkort tot hm)

Etymologie

* In de betekenis van ‘hum* tussenwerpsel: uitroep van twijfel of om aandacht te trekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1561