humeur

onzijdig (het)/hyˈmør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mentale of emotionele toestand
    Hij had een slecht humeur omdat hij slecht geslapen had.
    Ze maakte 's ochtends schoon in het hotel in Kramfors, ging dan met de bus naar huis en deed de afwas in de lunchbarakken van de arbeiders bij de brugfundering en haastte zich daarna naar hem toe om het eten op tafel te zetten, alles in vliegende vaart en altijd met hetzelfde stralende humeur.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gemoedsgesteldheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1658

Vertalingen

Engelstemper, mood
Franshumeur
DuitsLaune