huns
/hʏns/
Betekenis
voornaamwoord
- (verouderd) van zij en ze (3e persoon meervoud)Wat wreedheid schijnt is weldaad vaak, ja zeker de jagers hebben eene delicate taak en ze zijn er niet om huns wil.
voornaamwoord
- (verouderd) (m) (van) hunIk heb menschen gezien, die door den krijg helemaal te gronde waren gebracht; (…) weduwen-moeders van den steun huns mans of van den steun hunner zonen beroofd; maar geen enkel verwijt of klacht heb ik hooren opgaan tegen 't verbod van doorlating van 't duitsche leger over België.
- (verouderd) (n) (van) hunToen, volgens de zede huns volks, schoren de Hunnen het hoofdhaar (…)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek