huppelen

/ˈhʏpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) zich met kleine sprongetjes voortbewegen
    Er werd gehuppeld en trouwtjegesprongen op het schoolplein.
  2. erga (erga) zich met kleine sprongetjes ergens naartoe bewegen
    Vrolijk fluitend huppelde zijn dochtertje naar de deur.
    Maar nu eerst: de polka! Voor een grandioze afsluiting van het uur mochten de kinderen in paren van twee naar de overkant van de zaal huppelen onder begeleiding van een vrolijke dans. {{Aut|Sandes, David

Etymologie

*(freqtt) huppen

Vertalingen

Engelshop, skip
Franssautiller
Duitshüpfen