huppelen
/ˈhʏpələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich met kleine sprongetjes voortbewegenEr werd gehuppeld en trouwtjegesprongen op het schoolplein.
- (erga) zich met kleine sprongetjes ergens naartoe bewegenVrolijk fluitend huppelde zijn dochtertje naar de deur.Maar nu eerst: de polka! Voor een grandioze afsluiting van het uur mochten de kinderen in paren van twee naar de overkant van de zaal huppelen onder begeleiding van een vrolijke dans. {{Aut|Sandes, David
Etymologie
*(freqtt) huppen
Vertalingen
Engelshop, skip
Franssautiller
Duitshüpfen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek