hurken

/ˈhʏrkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) op de onderbenen gaan zitten
    Ze hurkte om wat onkruid te wieden.
    „Dank jullie wel. Het is goed dat jullie gekomen zijn,” zegt Distel na 120 seconden. De groep mensen gaat uiteen. Anderen pakken hun afgebroken gesprek weer op. Brandweermannen brengen een groet. Een witte auto start zijn dieselmotor en rijdt weg. De burgemeester hurkt voor het monument en kijkt naar de namen.
zelfstandig naamwoord
  1. houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust

Etymologie

*: zelfstandig gebruik van het werkwoord, later opgevat als meervoudsvorm waaruit een zelden gebruikt enkelvoud is afgeleid met dezelfde betekenis

Uitdrukkingen

  • op de hurken

Vertalingen

Engelssquat
Spaansacuclillarse