hurk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhʏrᵊk/

Wat is de betekenis van hurk?

hurk betekent: houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust
  2. verouderd (verouderd) een kind zo klein als iemand die op zijn hurken rust
zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) iemand die zich onaangenaam gedraagt door zich niet aan omgangsvormen te houden

Voorbeelden van "hurk" in een zin

  • Soms is het lastig weer uit een hurk overeind te komen.
  • Eerst hadden we nog een poging gedaan om de boer, die enkel een lendendoek droeg, duidelijk te maken dat hij naar het naaste dorp moest lopen om hulp te halen; maar hij was niet uit de diepe hurk te krijgen waarin hij aanstonds was neergezonken.
  • {{ouds
  • Hij was nog maar een hurkje.
  • Wat een hurk van een vent is dat, zeg...

Etymologie

*[B] via (hourek) "onaangenaam persoon, slecht mens" van "חוֹרֵג" (horeg) "afwijkend; crimineel; stief-"

Uitdrukkingen

  • op de hurken