hurk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhʏrᵊk/
Wat is de betekenis van hurk?
hurk betekent: houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust
- (verouderd) een kind zo klein als iemand die op zijn hurken rust
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) iemand die zich onaangenaam gedraagt door zich niet aan omgangsvormen te houden
Voorbeelden van "hurk" in een zin
- Soms is het lastig weer uit een hurk overeind te komen.
- Eerst hadden we nog een poging gedaan om de boer, die enkel een lendendoek droeg, duidelijk te maken dat hij naar het naaste dorp moest lopen om hulp te halen; maar hij was niet uit de diepe hurk te krijgen waarin hij aanstonds was neergezonken.
- {{ouds
- Hij was nog maar een hurkje.
- Wat een hurk van een vent is dat, zeg...
Etymologie
*[B] via (hourek) "onaangenaam persoon, slecht mens" van "חוֹרֵג" (horeg) "afwijkend; crimineel; stief-"
Uitdrukkingen
- op de hurken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek