huwelijk

onzijdig (het)/ɦiu̯ələk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch, familie, maatschappij (juridisch), (familie), (maatschappij) ambtelijke duurzame verbintenis tussen twee of meer mensen
    Het huwelijk is in de VS ook opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht. In sommige Midden-Oosterse landen kan één man met meerdere vrouwen trouwen.
    We spraken uitgebreid over relaties, huwelijken, latten en open relaties en wat de voor- en nadelen hiervan volgens ons waren.
    Een vrouw uit Kansas vertrouwde me toe dat ze de benen had genomen na mishandeld te zijn in haar huwelijk.
  2. familie, maatschappij (familie), (maatschappij) juridische en sociale liefdesband tussen man en vrouw, aangegaan voor het leven, met als doel het stichten van een gezin
  3. religie (religie) sacrament en verbond waarmee een gedoopte man en vrouw zich voor het leven aan elkaar verbinden, met als doel het stichten van een gezin
    Het huwelijk is een van de zeven sacramenten van de katholieke kerk.
  4. figuurlijk (figuurlijk) samenwerkingsverband
    De rest is geschiedenis: Nederland raakte opgezadeld met het liefdeloze huwelijk van CDA en PvdA.

Etymologie

* Middelnederlands hūwelijc, houwelijc, -lic, door volksetymologische vereenzelviging uit eerder hūweleec, hūweleic, samenstelling van huwe(n) (f) ‘echtpaar’ (waarvoor zie huwen) en leec ‘lied, gezang’. Evenals Middelnederduits hillik, hīlich, Oudhoogduits hīleih, Fries houlik en deels (het 2de lid) Engels wedlock, alle ‘huwelijk’.

Uitdrukkingen

  • In het huwelijk tredenTrouwen
  • Een huwelijk met de smalle trouwringEen huwelijk met meer dan een vrouw.[http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2398.php {{Aut|F.A. Stoett

Vertalingen

Engelsmarriage, matrimony
Fransmariage
DuitsHeirat, Hochzeit, Trauung
Spaansmatrimonio
Italiaansmatrimonio
Poolsmałżeństwo, ślub