ijsbeen
onzijdig (het)/ˈɛizben/
Wat is de betekenis van ijsbeen?
ijsbeen betekent: heupbeen, darmbeen, zitbeen, schaambeen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- heupbeen, darmbeen, zitbeen, schaambeen
- varkensham
- een koud been
Voorbeelden van "ijsbeen" in een zin
- Van de wol worden dekbedden en voetzooltjes gemaakt. „Alpaca’s komen van oorsprong uit het Andesgebergte waar het ’s nachts heel koud is en overdag heel warm. Daar is hun vacht op aangepast.” Perfect spul dus voor mensen met ijsbenen en zweetvoeten.
Etymologie
*verbastering van het Latijns Ischia (heupgewricht)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek