in

/ɪn/

Betekenis

voorzetsel
  1. met het inwendige van iets anders als locatie; "binnen"
    Het servies staat in de kast.
    Ik woon al twintig jaar in Utrecht.
  2. gedurende, tijdens
  3. gedurende een gehele periode, of gewoonlijk tijdens een periode:
    In de zomer dragen veel mensen een zonnebril.
    In het weekend zijn we op de camping.
  4. op enig moment binnen een periode:
    Hij werd geboren in 1985.
  5. binnen een periode, in minder tijd dan een periode:
    Ze is in drie weken vier kilo afgevallen.
  6. naar binnen
    Zet de borden even in de kast.
  7. de kleding die men draagt
    Op elke vijftig demonstranten liep er één agent in burger mee.
    De gastheer verzoekt u in jacquet te verschijnen.
  8. het resultaat dat ontstaat: tot
    De spiegel spatte in scherven uiteen.
    Zij toverde de homp klei om in een mooie vaas.
  9. de delen waar iets uit bestaat: uit
    Dit is een stuk in drie bedrijven.
    Het is in één woord geweldig.
  10. het materiaal waar iets van gemaakt is: van
    Het sculptuur is uitgevoerd in hout en koper.
  11. de kleur die iets heeft
    Er zijn opvallende accenten in rood en goud aangebracht.
  12. wat betreft
    De vissen verschillen onderling enorm in kleur en formaat.
  13. de wijze waarop iets beschouwd wordt
    in het kort, in detail, in grote lijnen, in één ruk, in het groot, in het klein, in het algemeen, in het bijzonder
    Hij las het boek in één ruk uit.
  14. indien iets gebeurt
    in dat geval, in elk geval, in geen geval
  15. als : naar binnen
    Het huis in.
  16. strikt gesproken kan zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een bijwoord (1.)

Etymologie

:Oost: : in

Uitdrukkingen

  • dag in, dag uit
  • de handdoek in de ring werpen
  • de kat in het donker knijpen
  • een gat in de lucht springen
  • een kat in de zak kopen
  • een oogje in het zeil houden
  • een sprong in het duister maken
  • in arren moede

Vertalingen

Engelsin, in
Fransdans
Duitsin, in
Spaansen, vào
Russischв