buiten

/ˈbœytə(n)/

Betekenis

voorzetsel
  1. niet ingesloten in het genoemde
    Hij woont buiten de stad.
zelfstandig naamwoord
  1. (m) platteland
  2. (n) buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed

Etymologie

: : bûten (Oudfries: būta)

Uitdrukkingen

  • buiten adem zijn
  • buiten de waard rekenen
  • buiten jezelf zijn
  • buiten schot blijven
  • buiten spel blijven
  • buiten werking stellen
  • buiten westen zijn
  • buiten zijn boekje gaan

Vertalingen

Engelsoutside
Fransen dehors de, à l'extérieur de, dehors
Spaansfuera
Russischснаружи
Poolsna zewnatrz