buit
mannelijk (de)/bœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- goederen gewonnen door diefstal of veroveringToen zij de buit wilden verdelen ontstond er al snel een handgemeen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘wat men veroverd heeft’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Vertalingen
Engelsbooty, loot
Fransbutin
DuitsBeute
Spaansbotín
Russischдобыча, трофеи
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek