insect
onzijdig (het)/ɪnˈsɛkt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugelsKabinet wil dat Nederlanders vaker insecten eten [http://www.nu.nl/eten-en-drinken/4155594/kabinet-wil-nederlanders-vaker-insecten-eten.html www.nu.nl]Ik filterde zo snel mogelijk een liter water voor mijn avondmaal en zocht een wat hogerop gelegen plek in de hoop daar wat minder last van de insecten te hebben.
Etymologie
*via "insecte" of direct van Latijn "insectus" "ingesneden, geleed", een leenvertaling van "ἔντομος" (éntomos); in de betekenis van ‘klasse van gelede dieren’ aangetroffen vanaf 1660
Vertalingen
Engelsinsect
Fransinsecte
DuitsInsekt
Spaansinsecto
Italiaansinsetto
Portugeesinsecto
Japans昆虫
Turksböcek
Poolsowad
Zweedsinsekt
Deensinsekt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek