inslapen

/ˈɪnslapə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) in slapende toestand geraken
    Hij was blijkbaar met alle lichten en de televisie nog aan ingeslapen.
  2. erga, eufemisme, dierkunde (erga), (eufemisme), (dierkunde) laten ~ met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
    De hond leed aan een ernstige ziekte en zijn baasjes moesten hem daarom laten inslapen.
  3. intr, eufemisme (intr) (eufemisme) doodgaan, overlijden, sterven
  4. suf, duf en niet oplettend worden
    Het alleen zijn maakte me juist wakker. Wellicht was ik door mijn drukke agenda thuis wat mat en ingeslapen geraakt.

Vertalingen

Engelsdrop off, fall asleep, put down
Fransfaire piquer
Duitseinschlafen, einschläfern
Spaansadormecer, dormirse