inslapen
/ˈɪnslapə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) in slapende toestand gerakenHij was blijkbaar met alle lichten en de televisie nog aan ingeslapen.
- (erga), (eufemisme), (dierkunde) laten ~ met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijdenDe hond leed aan een ernstige ziekte en zijn baasjes moesten hem daarom laten inslapen.
- (intr) (eufemisme) doodgaan, overlijden, sterven
- suf, duf en niet oplettend wordenHet alleen zijn maakte me juist wakker. Wellicht was ik door mijn drukke agenda thuis wat mat en ingeslapen geraakt.
Vertalingen
Engelsdrop off, fall asleep, put down
Fransfaire piquer
Duitseinschlafen, einschläfern
Spaansadormecer, dormirse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek